1 Kronieken 1:48

Statenvertaling (States Bible)

En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 36:37 : 37 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Gen 36:32-39
    8 verzen
    93%

    32Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam zijner stad was Dinhaba.

    33En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.

    34En Jobab stierf, en Husam, uit der Temanieten land, regeerde in zijn plaats.

    35En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijner stad was Avith.

    36En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

    37En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

    38En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

    39En Baal-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam zijner stad was Pahu; en de naam zijner huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Mezahab.

  • 89%

    43Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israels: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhaba.

    44En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.

    45En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.

    46En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en den naam zijner stad was Avith.

    47En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats.

  • 89%

    49En Saul stierf, en Baal-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

    50Als Baal-Hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-Sahab.

  • 1En het geschiedde na dezen, dat Nahas, de koning der kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.

  • 1Voorts geschiedde het na Sauls dood, als David van den slag der Amalekieten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was;

  • 1En Samuel stierf; en gans Israel vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.

  • 37Alzo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven den koning te Samaria.

  • 16En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats.

  • 43Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

  • 24En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.

  • 5Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israel afviel.

  • 28En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats.

  • 7Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

  • 3Samuel nu was gestorven, en gans Israel had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.

  • 28Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-Machlekoth.

  • 1En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.

  • 1Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en gans Israel werd verschrikt.

  • 12Van Syrie, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba.

  • 31En Salomo ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.

  • 5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.

  • 11Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;

  • 64%

    6Alzo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn ganse huis is tegelijk gestorven.

    7Als al de mannen van Israel, die in het dal waren, zagen, dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

  • 3David sloeg ook Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.

  • 11Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,