Deuteronomium 11:5

Statenvertaling (States Bible)

En wat Hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 77:20 : 20 Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. [ (Psalms 77:21) Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. ]
  • Ps 78:14-72 : 14 En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs. 15 Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. 16 Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren. 17 Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis. 18 En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust. 19 En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? 20 Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden? 21 Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel; 22 Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden. 23 Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende; 24 En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. 25 Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging. 26 Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte; 27 En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen; 28 En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen. 29 Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht. 30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond, 31 Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde. 32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen. 33 Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking. 34 Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg; 35 En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser. 36 En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong. 37 Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond. 38 Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op. 39 En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert. 40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis! 41 Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk. 42 Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste; 43 Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan; 44 En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken. 45 Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven. 46 En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan. 47 Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen. 48 Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen. 49 Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads. 50 Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over. 51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham. 52 En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. 53 Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt. 54 En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft. 55 En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen. 56 Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet. 57 En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. 58 En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden. 59 God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer. 60 Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. 61 En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders. 62 En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis. 63 Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen. 64 Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet. 65 Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn. 66 En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan. 67 Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet. 68 Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad. 69 En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid. 70 En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien; 71 Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis. 72 Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
  • Ps 105:39-41 : 39 Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten. 40 Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood. 41 Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
  • Ps 106:12-48 : 12 Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof. 13 Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet. 14 Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis. 15 Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid. 16 En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN. 17 De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram. 18 En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand. 19 Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld. 20 En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet. 21 Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte; 22 Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee. 23 Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf. 24 Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet. 25 Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet. 26 Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn; 27 En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen. 28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten. 29 En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed. 30 Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden. 31 En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. 32 Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil. 33 Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen. 34 Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had; 35 Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken. 36 En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. 37 Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd. 38 En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. 39 En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden. 40 Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel. 41 En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen. 42 En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand. 43 Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid. 44 Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde. 45 En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden. 46 Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden. 47 Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof. 48 Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Deut 11:3-4
    2 verzen
    84%

    3Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;

    4En wat Hij gedaan heeft aan het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij ulieden van achteren vervolgden; en de HEERE verdeed hen, tot op dezen dag.

  • Deut 1:31-34
    4 verzen
    79%

    31En in de woestijn, waar gij gezien hebt, dat de HEERE uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.

    32Maar door dit woord geloofdet gij niet aan den HEERE, uw God.

    33Die voor uw aangezicht op den weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar gij zoudt legeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u den weg wees, waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.

    34Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:

  • Deut 11:6-7
    2 verzen
    77%

    6Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, den zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van gans Israel.

    7Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.

  • 10Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt.

  • 19Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnea.

  • 40Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee.

  • Joz 24:5-7
    3 verzen
    76%

    5Toen zond Ik Mozes en Aaron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.

    6Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.

    7Zij nu riepen tot den HEERE, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.

  • Deut 8:15-16
    2 verzen
    75%

    15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;

    16Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;

  • Deut 9:7-8
    2 verzen
    75%

    7Gedenk, vergeet niet, dat gij den HEERE, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den HEERE.

    8Want aan Horeb vertoorndet gij den HEERE zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te verdelgen.

  • 6En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?

  • 27En gij murmureerdet in uw tenten, en zeidet: Omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen.

  • 16Want als zij uit Egypte optogen, zo wandelde Israel door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.

  • 2En gij zult gedenken aan al den weg, dien u den HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.

  • 5En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.

  • 10Ook heb Ik ulieden uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat.

  • 11En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt?

  • 23Want de HEERE, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gijlieden er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;

  • 34Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE, uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?

  • 25Hebt gij Mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toegebracht, o huis Israels?

  • 17Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op den weg, als gij uit Egypte uittoogt;

  • Deut 9:22-23
    2 verzen
    73%

    22Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-Thaava.

    23Voorts als de HEERE ulieden zond uit dat land, dat Ik u gegeven heb; zo waart gij den mond des HEEREN, uws Gods, wederspannig, en geloofdet Hem niet, en waart Zijn stem niet gehoorzaam.

  • 11En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.

  • 2En Mozes riep gans Israel, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;

  • 4Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

  • 12Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!

  • 15En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.

  • 20Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.

  • 9En Ik heb u verlost van de hand der Egyptenaren, en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven;

  • 36Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.

  • 5(Ik stond te dier tijd tussen den HEERE en tussen u, om u des HEEREN woord aan te zeggen; want gij vreesdet voor het vuur en klomt niet op den berg) zeggende:

  • 16Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt.

  • 15Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.

  • 28Opdat het land, van waar Gij ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze de HEERE niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.

  • 9En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.

  • 7Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.

  • 26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 6Want de kinderen Israels wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren; die de stem des HEEREN niet gehoorzaam geweest waren, denwelken de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de HEERE hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig.

  • 21Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.

  • 7Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.