Klaagliederen 5:10

Statenvertaling (States Bible)

Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Klaagl 4:8 : 8 Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.
  • Job 30:30 : 30 Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.
  • Klaagl 3:4 : 4 Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
  • Ps 119:83 : 83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Klaagl 5:8-9
    2 verzen
    84%

    8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.

    9Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.

  • 80%

    8Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.

    9Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger; want die vlieten daarhenen, als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten der velden zijn.

    10Jod. De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de verbreking der dochter mijns volks.

  • Job 30:30-31
    2 verzen
    79%

    30Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.

    31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.

  • 11Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.

  • Hoogl 1:5-6
    2 verzen
    72%

    5Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.

    6Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.

  • Klaagl 5:3-6
    4 verzen
    71%

    3Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.

    4Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.

    5Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.

    6Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyrier, om met brood verzadigd te worden.

  • Ps 102:3-5
    3 verzen
    71%

    3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.

    4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.

    5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

  • Jer 8:20-21
    2 verzen
    70%

    20De oogst is voorbijgaande, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost.

    21Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter mijns volks; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen.

  • 6Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.

  • 3Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.

  • 16Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.

  • 10Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar hart versmelt, en de knieen schudden, en in al de lenden is smart, en hun aller aangezichten betrekken, als een pot.

  • 17Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.

  • Job 33:20-21
    2 verzen
    69%

    20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;

    21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;

  • 3Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.

  • 25Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

  • 12Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;

  • 5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

  • Job 24:10-11
    2 verzen
    68%

    10Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.

    11Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig.

  • 2Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op.

  • 5Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.

  • 4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 6In de vierde maand, op den negenden der maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had;

  • 17Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.

  • 10Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op den middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden.

  • 24Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.

  • 20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.

  • 17De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.

  • 5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.

  • 10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;

  • 6Vau. En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar.

  • 19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.

  • 6Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!

  • 6Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lagen; hunlieder bakker slaapt den gansen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur.

  • 7Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden.

  • 22Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. [ (Isaiah 8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. ]