Lukas 9:45

Statenvertaling (States Bible)

Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Luk 18:34 : 34 En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.
  • Marc 9:32 : 32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.
  • Luk 2:50 : 50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.
  • Joh 16:17-18 : 17 Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot den Vader? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.
  • Joh 12:16 : 16 Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.
  • Joh 12:34 : 34 De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?
  • Joh 14:5 : 5 Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten?
  • Matt 16:22 : 22 En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
  • Marc 8:16-18 : 16 En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben. 17 En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart? 18 Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?
  • Marc 8:32-33 : 32 En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen; 33 Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mijn, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
  • Marc 9:10 : 10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan.
  • 2 Kor 3:14-16 : 14 Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. 15 Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. 16 Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
  • Luk 9:46 : 46 En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Marc 9:32-34
    3 verzen
    92%

    32Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.

    33En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg?

    34Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zou zijn.

  • 34En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.

  • 50En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.

  • 6Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.

  • 27Zij verstonden niet, dat Hij hun van den Vader sprak.

  • 46En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware.

  • 21En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?

  • 44Legt gij deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in der mensen handen.

  • 6Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.

  • Marc 4:11-13
    3 verzen
    76%

    11En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;

    12Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.

    13En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?

  • Marc 9:9-10
    2 verzen
    76%

    9En als zij van den berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn.

    10En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan.

  • Luk 8:9-10
    2 verzen
    76%

    9En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen?

    10En Hij zeide: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan.

  • 16En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.

  • Joh 16:18-19
    2 verzen
    75%

    18Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.

    19Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat Ik gezegd heb: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien, en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien?

  • 74%

    13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.

    14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.

  • 74%

    15En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

    16Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?

  • 30En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist.

  • Marc 8:17-18
    2 verzen
    73%

    17En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart?

    18Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?

  • 12En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.

  • 30En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.

  • 32En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;

  • 26Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.

  • 51En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!

  • 16Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.

  • 9Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.

  • 72%

    11Hoe verstaat gij niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.

    12Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdesem des broods, maar van de leer der Farizeen en Sadduceen?

  • 36En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.

  • 13Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had.

  • 72%

    45En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.

    46En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.

  • 30En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat het niemand wete.

  • 28En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide.

  • 26En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.

  • 21En Hij gebood hun scherpelijk en beval, dat zij dit niemand zeggen zouden;

  • 16En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;

  • 9Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.

  • 34Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.

  • 12En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.

  • 10En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?