36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.
37En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.
38En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.
39En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.
40En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.
41En Mozes gaf Eleazar, den priester, de schatting van de heffing des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
42En van de helft der kinderen Israels, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden;
43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;
44En de runderen waren zes en dertig duizend;