Numeri 33:46

Statenvertaling (States Bible)

En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 32:34 : 34 En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroer,
  • Jes 15:2 : 2 Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden.
  • Jer 48:18 : 18 Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven.
  • Jer 48:22 : 22 En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,
  • Ezech 6:14 : 14 Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath henen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik de HEERE ben.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 33:47-49
    3 verzen
    89%

    47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.

    48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

    49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

  • Num 33:41-45
    5 verzen
    89%

    41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.

    42En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.

    43En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.

    44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.

    45En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad.

  • Num 33:9-37
    29 verzen
    81%

    9En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar.

    10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.

    11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.

    12En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.

    13En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.

    14En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidim; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken.

    15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.

    16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.

    17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.

    18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.

    19En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.

    20En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.

    21En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.

    22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.

    23En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.

    24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.

    25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.

    26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.

    27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.

    28En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.

    29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.

    30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.

    31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.

    32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.

    33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.

    34En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.

    35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.

    36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

    37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.

  • 22En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,

  • Num 21:11-13
    3 verzen
    73%

    11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.

    12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.

    13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.

  • Num 33:6-7
    2 verzen
    72%

    6En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.

    7En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.

  • 20Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.

  • 3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;

  • 1Daarna reisden de kinderen van Israel, en legerden zich in de vlakken velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.

  • 18Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.

  • 2Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.