Psalmen 109:9

Statenvertaling (States Bible)

Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ex 22:24 : 24 En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal ulieden met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden.
  • Jer 18:21 : 21 Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.
  • Klaagl 5:3 : 3 Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 109:10-19
    10 verzen
    88%

    10En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.

    11Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

    12Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.

    13Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.

    14De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.

    15Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.

    16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.

    17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

    18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.

    19Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.

  • Ps 109:6-8
    3 verzen
    86%

    6Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.

    7Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

    8Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

  • 21Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.

  • Job 27:14-15
    2 verzen
    76%

    14Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.

    15Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.

  • 9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.

  • 24En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal ulieden met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden.

  • 21De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.

  • 6De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.

  • 10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!

  • Ps 69:22-25
    4 verzen
    73%

    22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

    23Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.

    24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

    25Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

  • 11Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.

  • 8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!

  • 2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!

  • 19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.

  • 17Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.

  • 9De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.

  • 3Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.

  • 8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • Job 18:16-19
    4 verzen
    71%

    16Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.

    17Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.

    18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.

    19Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn.

  • 15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.

  • 9Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke eens mans vrouw geweest zij;

  • 9Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!

  • 9Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.

  • 14Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.

  • 9De vrouwen Mijns volks verdrijft gij, elkeen uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderkens neemt gij Mijn sieraad in eeuwigheid.

  • 10Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.

  • 11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.

  • 8Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeen; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.

  • 4Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.

  • 16Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten;

  • 16Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden.

  • 27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.