Psalmen 124:3
Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.
Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.
5Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
6De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
7Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
1Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,
2Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
47Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.
11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.
7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
10En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
11En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
34En het ganse Israel, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!
9Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.
19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.
43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.
5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.
14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.
12Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!
24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
53Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
5De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,
31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.
11Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.
5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.
6Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;
13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
26Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.
20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
17Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
13Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
12Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
6Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.
2Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
16Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.
10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.
19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
10Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
12Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
32En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de have.
19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.