Romeinen 12:17
Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
18Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
19Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
20Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.
21Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.
14Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.
15Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.
16Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
8En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
9Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beerven.
29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
2Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
29Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.
30Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.
31En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
38Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
39Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
21Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.
16Dat dan uw goed niet gelasterd worde.
3Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.
4Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.
22Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.
12En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.
25Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons.
35Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
17Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
9De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.
10Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.
32Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
2En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
24Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
6Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken;
7En ik wens van God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn.
7Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, die gij de eer schuldig zijt.
8Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.
12En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.
12Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.
20Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.
27Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.
19Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.
12Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.
14Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;
3Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde.
7Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen;
15En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder.
17Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.