1 Thessalonicenzen 5:19
Blust den Geest niet uit.
Blust den Geest niet uit.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Veracht de profetieen niet.
21Beproeft alle dingen; behoudt het goede.
22Onthoudt u van allen schijn des kwaads.
15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
16Verblijdt u te allen tijd.
17Bidt zonder ophouden.
18Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.
17Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
18En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;
19Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart;
20Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus;
39Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.
30En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.
16En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.
17Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.
18Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.
19Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.
20Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;
8Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heiligen Geest in ons heeft gegeven.
6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
27En geeft den duivel geen plaats.
6Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
7Zo zijt dan hun medegenoten niet.
25Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.
26Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.
1Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren.
9(Want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid),
10Beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.
11En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
19En gij zult niet stelen.
1En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt.
5Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.
1Bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders;
4Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
1Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
11Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.
16Dat dan uw goed niet gelasterd worde.
5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
21Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
3U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.
12Alzo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der Gemeente.
19Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal.
9Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur.
14Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.
22Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.
5Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.
4Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.
13Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
20En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.