Efeziërs 5:17
Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
15Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
16Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.
18En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;
19Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart;
6Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
7Zo zijt dan hun medegenoten niet.
8Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.
9(Want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid),
10Beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.
11En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
5Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende.
17Ik zeg dan dit, en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds.
18Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;
20Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.
5Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.
6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
17Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;
18Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;
9Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;
10Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God;
2En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
7Merk, hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen.
13Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
14Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
23En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,
2Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.
18Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
19Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
20En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
15Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
4Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;
14Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren;
4Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
4Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),
3Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij;
1Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;
16En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.
15In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
10Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;
17Bidt zonder ophouden.
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
7En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.
34Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.
20Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd;
2Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht.
19Blust den Geest niet uit.