Genesis 5:29
En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!
En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
30En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
31Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.
32En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.
24En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had.
25En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!
28En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.
1En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!
7Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.
8Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:
15Toen sprak God tot Noach, zeggende:
27God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht!
28En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.
29Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.
19Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aarde overspreid.
20En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
5En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.
6Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.
8Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.
21En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
36Den zoon van Kainan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noe, den zoon van Lamech,
24En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.
12En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.
3Henoch, Methusalah, Lamech,
17Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.
10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.