1 Kronieken 1:3
Henoch, Methusalah, Lamech,
Henoch, Methusalah, Lamech,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Adam, Seth, Enos,
2Kenan, Mahalal-el, Jered,
18En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.
4Noach, Sem, Cham en Jafeth.
5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
35Den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala,
36Den zoon van Kainan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noe, den zoon van Lamech,
37Den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Malaleel, den zoon van Kainan,
38Den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.
24Sem, Arfachsad, Selah,
25Heber, Peleg, Rehu,
26Serug, Nahor, Terah,
10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
25En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.
26En Methusalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
27Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.
28En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.
16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
19Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.
20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,
21En Hadoram, en Uzal, en Dikla,
21En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach.
22En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
23Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.
30En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
31Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.
32En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.
18En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.
19En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan.
26En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.
26En Joktan gewon Almodad, en selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,
9En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.
10En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
6En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos.
24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
12En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.
21Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, den grootste.