Jesaja 57:21
De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.
20Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.
8Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.
16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;
17En den weg des vredes hebben zij niet gekend.
25De ondergang komt; en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.
11En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
13Maar den goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.
14En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.
16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
37Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden, vanwege de hittigheid des toorns des HEEREN.
5En in die tijden was er geen vrede voor dengene, die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen;
11Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.
20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.
11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
6Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
7Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
21Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.
17Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
15Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.
16Te weten de profeten Israels, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een gezicht des vredes zien, waar geen vrede is, spreekt de Heere HEERE.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
11Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.
5Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
13De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
29Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.
11Het geweld is opgerezen tot een roede der goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun gedruis, en geen klage zal over hen zijn.
11Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
38Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.
11Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.
23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.