Psalmen 28:3
Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
9Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
10In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
4Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
8Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
8HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.
9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.
23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.
1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
28Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
22Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
2Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?
21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
12Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
20Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden.
2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
3Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.
20Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
19O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
14Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
2Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;
4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.