Psalmen 34:14
Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.
12Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
14Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de HEERE, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
16Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
16Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
14Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
18En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
19Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.
22Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.
11Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
15Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.
14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
9Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult gij u wachten voor alle kwade zaak.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
22Onthoudt u van allen schijn des kwaads.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.