Spreuken 4:27

Statenvertaling (States Bible)

Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 5:32 : 32 Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.
  • Deut 28:14 : 14 En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.
  • Joz 1:7 : 7 Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de ganse wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter hand noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan;
  • Spr 16:17 : 17 De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
  • Jes 1:16 : 16 Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
  • Deut 12:32 : 32 Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.
  • Rom 12:9 : 9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 4:24-26
    3 verzen
    83%

    24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

    25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.

    26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

  • Spr 4:12-15
    4 verzen
    82%

    12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.

    13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.

    14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.

    15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.

  • Spr 1:15-16
    2 verzen
    79%

    15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

    16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

  • 17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.

  • Spr 3:6-7
    2 verzen
    76%

    6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.

    7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.

  • Ps 34:13-14
    2 verzen
    75%

    13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

    14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.

  • 27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

  • 32Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.

  • 16Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is.

  • 101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

  • 13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.

  • Spr 2:12-13
    2 verzen
    73%

    12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;

    13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;

  • 21En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.

  • 14En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.

  • 4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.

  • 25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.

  • 2Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.

  • 5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.

  • 23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

  • 11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.

  • 11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

  • Spr 5:6-8
    3 verzen
    71%

    6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

    7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

    8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

  • 22Onthoudt u van allen schijn des kwaads.

  • 17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

  • 26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

  • 27En geeft den duivel geen plaats.

  • 19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.

  • 28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.

  • 13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

  • 8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

  • 4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.