Spreuken 2:12

Statenvertaling (States Bible)

Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kor 15:33 : 33 Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden.
  • 2 Kor 6:17 : 17 Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.
  • Spr 8:13 : 13 De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
  • Spr 13:20 : 20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
  • Spr 16:28-30 : 28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend. 29 Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is. 30 Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
  • Jes 59:3-5 : 3 Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht. 4 Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. 5 Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, er berst een adder uit.
  • Hand 20:30 : 30 En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.
  • Ps 17:4-5 : 4 Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers; 5 Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
  • Ps 26:4-5 : 4 Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om. 5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
  • Ps 101:4 : 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
  • Ps 141:4 : 4 Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
  • Spr 1:10-19 : 10 Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet; 11 Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak; 12 Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen; 13 Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen. 14 Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben. 15 Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad. 16 Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten. 17 Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte; 18 En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen. 19 Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
  • Spr 3:32 : 32 Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.
  • Spr 4:14-17 : 14 Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen. 15 Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij. 16 Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen. 17 Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.
  • Spr 9:6 : 6 Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 2:13-16
    4 verzen
    80%

    13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;

    14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;

    15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;

    16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;

  • 11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

  • 24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • Spr 4:14-15
    2 verzen
    76%

    14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.

    15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.

  • 4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.

  • 12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;

  • Spr 1:15-16
    2 verzen
    74%

    15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

    16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

  • 6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.

  • 20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

  • 27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.

  • 2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.

  • 4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

  • Spr 10:31-32
    2 verzen
    73%

    31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

    32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.

  • 4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.

  • 9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

  • 29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.

  • 2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.

  • 5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

  • 18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.

  • 8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.

  • 26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.

  • 15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.

  • 11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.

  • 27Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.

  • 9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

  • 11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

  • 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • 13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

  • 14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.

  • 6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

  • 12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.

  • 2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.

  • 20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.

  • 12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

  • 10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.

  • 2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.