Spreuken 13:15
Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
19De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.
13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
14Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.