Spreuken 2:15
Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
15Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;
16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
7Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.
8Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
32Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
15Die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft;
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
2En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden.
5Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
33Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.
9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]
18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
9De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.