Spreuken 16:29
Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
6In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
11Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
10De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
17Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.