Spreuken 6:12
Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
11Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
6Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen den HEERE, om de ziel des hongerigen ledig te laten, en den dorstige drank te doen ontbreken.
14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
12Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
6Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?
8Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. [ (Psalms 12:9) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden. ]
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,