Spreuken 14:17
Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
11Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
12Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.