Spreuken 15:1
Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
19Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?