Spreuken 25:15
Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
12Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.
21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!