Spreuken 29:20

Statenvertaling (States Bible)

Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jak 1:19 : 19 Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
  • Spr 26:12 : 12 Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
  • Spr 14:29 : 29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
  • Spr 21:5 : 5 De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
  • Pred 5:2 : 2 Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.
  • Spr 29:11 : 11 Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

  • 29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

  • 19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.

  • Spr 29:21-22
    2 verzen
    76%

    21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.

    22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

  • 76%

    12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.

    13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.

    14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?

  • 10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!

  • Spr 14:16-17
    2 verzen
    76%

    16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

    17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • Spr 26:4-6
    3 verzen
    74%

    4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

    5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

    6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.

  • Spr 12:15-16
    2 verzen
    74%

    15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

    16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

  • Spr 17:27-28
    2 verzen
    74%

    27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.

    28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.

  • Spr 10:18-19
    2 verzen
    74%

    18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

    19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.

  • 9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.

  • 7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.

  • 17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.

  • 21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.

  • 9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.

  • 20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.

  • 13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.

  • 3Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het.

  • 16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

  • Spr 15:20-21
    2 verzen
    73%

    20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.

    21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.

  • 16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?

  • 23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

  • 3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.

  • 22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;

  • Spr 17:24-25
    2 verzen
    72%

    24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.

    25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

  • 13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.

  • 2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

  • 3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

  • 2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • 5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.

  • 9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.