Spreuken 23:9
Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
22Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
10Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;
3Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het.