Spreuken 15:2
De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.