Spreuken 15:3
De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
16Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
12Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
17Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
18Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
4De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
13De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
14Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
12Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
2De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
14Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.
6Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
24Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
19Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.
8Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
14De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.
15Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.
24Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.
16Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.
9Want den HEERE aangaande, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, welker hart volkomen is tot Hem; gij hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.
12Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.
13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
7Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.