Spreuken 4:25
Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
34De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.
35Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij.
15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
22De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
17Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
29Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
16Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is.
21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
34En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.