Spreuken 4:23
Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
21Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
34Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
3Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
18Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.
19Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.