Spreuken 16:1
De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
11Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
18Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.
16HEERE, onze God, al deze menigte, die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, den Naam Uwer heiligheid, dat is van Uw hand, en het is alles Uw.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
13Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
15Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
19Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
27De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
14Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;
45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.