Spreuken 16:9
Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
7Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
13Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
15Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
26Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.