Spreuken 29:26
Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
6Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
27Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
6En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
12Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
23Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
2Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.
12En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.
4En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
10Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.
28Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.
6Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?
4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
29Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.
21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.
19Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
28En geheel Israel hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des konings; want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was, om recht te doen.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.