Klaagliederen 3:36

Statenvertaling (States Bible)

Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Hab 1:13 : 13 Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
  • 2 Sam 11:27 : 27 En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEEREN.
  • Jes 59:15 : 15 Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en de HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.
  • Jer 22:3 : 3 Zo zegt de HEERE: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers; en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;

  • 79%

    37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?

    38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?

  • Spr 12:2-3
    2 verzen
    74%

    2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.

    3De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.

  • 5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.

  • Spr 29:26-27
    2 verzen
    73%

    26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.

    27Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.

  • 18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

  • 12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • Ps 36:3-4
    2 verzen
    72%

    3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

    4De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.

  • Spr 3:30-32
    3 verzen
    72%

    30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

    31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.

    32Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.

  • Ex 23:2-3
    2 verzen
    72%

    2Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.

    3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.

  • 3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.

  • 6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.

  • 6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.

  • 21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.

  • 6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

  • 16Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.

  • 1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.

  • 3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

  • 12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.

  • 3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.

  • 7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.

  • 29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.

  • 15Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.

  • 10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.

  • 11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.

  • 3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?

  • 17Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.

  • Spr 21:29-30
    2 verzen
    70%

    29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.

    30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.

  • 2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.

  • 15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.

  • 70%

    7Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.

  • 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

  • 15Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en de HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.

  • 70%

    6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

  • 12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.

  • 32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.

  • 1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

  • 17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.

  • 20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.

  • 30Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn.

  • 26Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;