Job 8:3

Statenvertaling (States Bible)

Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Deut 32:4 : 4 Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
  • 2 Kron 19:7 : 7 Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.
  • Gen 18:25 : 25 Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?
  • Opb 16:7 : 7 En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.
  • Dan 9:14 : 14 Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.
  • Rom 3:4-6 : 4 Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt. 5 Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.) 6 Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oordelen?
  • Job 34:10-12 : 10 Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht! 11 Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden. 12 Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
  • Job 34:17-19 : 17 Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen? 18 Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen! 19 Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
  • Job 35:13 : 13 Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
  • Job 40:2 : 2 Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
  • Job 40:8 : 8 Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
  • Ps 89:14 : 14 Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.
  • Ps 99:4 : 4 En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
  • Ezech 18:25 : 25 Nog zegt gijlieden: De weg des HEEREN is niet recht; hoort nu, o huis Israels! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?
  • Ezech 33:17 : 17 Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.
  • Ezech 33:20 : 20 Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!
  • Job 4:17 : 17 Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
  • Job 9:2 : 2 Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
  • Job 10:3 : 3 Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
  • Job 19:7 : 7 Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
  • Job 21:15 : 15 Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
  • Job 21:20 : 20 Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
  • Job 34:5 : 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
  • Opb 15:3 : 3 En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!
  • Rom 2:5 : 5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 34:12-13
    2 verzen
    81%

    12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.

    13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?

  • Job 40:8-9
    2 verzen
    80%

    8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

    9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.

  • 4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.

  • 17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?

  • Job 22:3-5
    3 verzen
    76%

    3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?

    4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?

    5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

  • Job 31:2-3
    2 verzen
    75%

    2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?

    3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?

  • 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

  • 75%

    35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;

    36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?

  • Hab 1:3-4
    2 verzen
    75%

    3Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.

    4Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.

  • 1Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?

  • 2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.

  • Job 13:7-8
    2 verzen
    74%

    7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?

    8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?

  • 23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?

  • 1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth.

  • Rom 3:5-6
    2 verzen
    73%

    5Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)

    6Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oordelen?

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.

  • 5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  • 10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!

  • 23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.

  • 25Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?

  • Job 33:12-13
    2 verzen
    72%

    12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.

    13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  • 2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

  • 7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

  • 23Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.

  • 72%

    7Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.

  • 19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

  • 17Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?

  • 7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

  • Job 35:6-7
    2 verzen
    72%

    6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?

    7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?

  • 13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?

  • 24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?

  • 13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?

  • 3Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?

  • 17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.

  • 71%

    8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.

  • 38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?