Job 13:7
Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
1Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?
18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!
13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
4Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valsheid?
11Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
13Het overtreden en het liegen tegen den HEERE, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.
3Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
3Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.
7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
8Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.
9Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baal roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent?
2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.
5Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.
1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.
7Ziet gij niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De HEERE spreekt, daar Ik niet gesproken heb?