Job 13:17
Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
16Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.
16Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
9Wie oren heeft om te horen, die hore.
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
9Indien iemand oren heeft, die hore.
15Wie oren heeft om te horen, die hore.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
7Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren des gansen volks:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
23Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
18Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
1Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!
18Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
8In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.
7Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!