Job 33:31
Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
1Maar Job antwoordde en zeide:
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
1Maar Job antwoordde en zeide:
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
1Maar Job antwoordde en zeide:
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
1Maar Job antwoordde en zeide:
30Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
2Want Job antwoordde en zeide:
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;