Job 42:4
Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
3Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?