Job 21:3
Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
4Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
2Want Job antwoordde en zeide:
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
4Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.
1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.
1Maar Job antwoordde en zeide:
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.