Job 21:2
Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
1Maar Job antwoordde en zeide:
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
2Want Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!