Job 18:2
Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?