Job 18:1
Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
2Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
1Elihu ging nog voort, en zeide:
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
2Want Job antwoordde en zeide:
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.