Job 35:1

Statenvertaling (States Bible)

Elihu antwoordde verder, en zeide:

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 34:1-2
    2 verzen
    91%

    1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

    2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • Job 36:1-2
    2 verzen
    91%

    1Elihu ging nog voort, en zeide:

    2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.

  • Job 35:2-3
    2 verzen
    81%

    2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

    3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • Job 40:1-3
    3 verzen
    76%

    1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

    2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

    3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • Job 32:1-7
    7 verzen
    76%

    1Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.

    2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.

    3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.

    4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.

    5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.

    6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.

    7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • Job 33:31-32
    2 verzen
    72%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.

  • 5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  • 6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

  • 12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.

  • 1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.