Job 34:35
Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;
16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
37Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
2Want Job antwoordde en zeide:
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Maar Job antwoordde en zeide:
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
1Maar Job antwoordde en zeide:
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
4Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide: