Job 34:16
Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
14Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
16Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;