Job 13:1
Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
2Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
13Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij:
12Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
17En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.
12Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
13En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.
14Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
10Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.
32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
18De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.
8Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.
27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
11Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
1Zekerlijk, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
14De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.
60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;
9Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
21En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.