Psalmen 35:21

Statenvertaling (States Bible)

En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 22:13 : 13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
  • Ps 40:15 : 15 Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
  • Ps 70:3 : 3 Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
  • Jes 9:12 : 12 Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet.
  • Luk 11:53-54 : 53 En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeen hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken; 54 Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
  • Ps 54:7 : 7 Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. [ (Psalms 54:8) Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. ] [ (Psalms 54:9) Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden. ]

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 16Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.

  • Job 16:9-10
    2 verzen
    77%

    9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

    10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

  • 15Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.

  • Ps 35:15-16
    2 verzen
    76%

    15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

    16Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.

  • 46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.

  • Ps 35:19-20
    2 verzen
    76%

    19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.

    20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.

  • 22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.

  • Ps 109:2-3
    2 verzen
    75%

    2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

    3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

  • 7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

  • Ps 35:25-26
    2 verzen
    75%

    25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

    26Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.

  • 3Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.

  • Ps 17:10-11
    2 verzen
    74%

    10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.

    11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

  • 74%

    21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

    22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • 13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

  • 10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.

  • 73%

    60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.

    61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;

    62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.

  • 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  • 22Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.

  • 11Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.

  • 13Alzo hebt gij u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord.

  • 7En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.

  • 2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?

  • 19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;

  • 12Gij dan, o HEERE der heirscharen, Die den rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.

  • 9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

  • 22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

  • 13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.

  • 12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.

  • 19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.

  • 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

  • 25Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.

  • 11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

  • 5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 17Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.

  • 6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

  • 2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!

  • 1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

  • 20Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.

  • 15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.