Psalmen 109:2
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
4Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
5En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.
9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
3Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
21En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.
3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;
10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,
12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!
9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
20Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
7En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
13Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;
12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
8Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.
3Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.
2Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
8Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
3En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen; zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de HEERE.
5In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?
11Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
7Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
16Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.